komen. De auto's rijden er hard en niemand
let op een klein zwart
poesje. Sientje wrijft tegen Linda's been.
„Sientje, ga nou alsjeblieft terug!"
Maar Sientje wil bij Linda blijven.
Dan gebruikt Linda het laatste middel. Ze
moet wel. Ze pakt een
steentje en gooit het in de struiken van de laatste tuin voor de
hoek.
Ritselend valt het steentje tussen de bladeren. Meteen sluipt
Sientje
er met haar ogen tot spleetjes geknepen naar toe. Linda kan er
niet
naar blijven kijken, want nu moet ze snel de hoek om rennen.
Haar
schooltas bonkt op haar rug.
Pas bij het hek van de school gaat ze weer
gewoon lopen.
En ze probeert er niet aan te denken hoe Sientje straks
zoekend
rondkijkt. En dan haar zwarte pootje maar gaat likken.
Sammie
Pieter vindt alleen gestreept met wit lief.
Alle andere kleuren kat
vindt hij stom. En dat komt goed uit, want zijn Sammie is
gestreept
met wit.
Sammie en Pieter zijn vrijwel even oud, maar
terwijl Pieter niet
genoeg uren in de dag kan vinden, ligt Sammie voornamelijk in
de
vensterbank. Vlak boven de kachel en dicht bij de zon. Soms gaat
hij
wel eens naar buiten, 's Morgens vroeg, wanneer het net licht is
en
hij opeens bedenkt dat hij nodig op vogeljacht moet. Met een
tril-
lend bekkie staart hij naar de merel in de grote boom naast het
huis.
Die ziet er zo heerlijk uit. Zoals Pieter naar een pannekoek
met
stroop zou staren, die hem vanaf zijn bord toelacht. Maar helaas
is
die merel ook wel erg ver weg. Eerst zou je helemaal naar die
boom
moeten. En dan ben je er nog niet, want ze komen niet je bek
bin-
nenvliegen, ook al ga je er voor klaar zitten. En wanneer je er
zelf de
boom voor in gaat kunnen er de vreselijkste dingen met je
gebeuren.
Sammie tuurt omhoog naar de merel daar helemaal bovenin.
O,
daar vliegt hij alweer weg ook. Nou ja.
Geduldig gaat Sammie voor de keukendeur
zitten, waar Pieter hem
net door naar buiten heeft gelaten. Miauw, zegt hij af en toe.
Net
zolang tot Pieter hem hoort en de deur weer
opendoet. Snel glipt hij
naar binnen, en rent in een ruk door naar zijn plekje op de
venster-
bank.
Pieter loopt even met hem mee en aait hem
over zijn dikke vacht.
Knorrend legt Sammie zijn kop op zijn voorpoten en knijpt
van
geluk zijn ogen dicht.

Straks krijgt hij ook nog eten van Pieter. Zomaar in een bakje.
Bijzonderheden
Misschien voelt het ongeveer zo.
Je fietst, alleen. Je handen hoef
je nauwelijks te gebruiken, den-
ken aan de weg is voldoende om
overal soepel doorheen te glip-
pen. Een auto komt dreigend op
je af, met je wijsvinger geef je
een klein tikje tegen je stuur.
Geregeld. Je luistert naar het
geluid van je banden.
Op de hoek van de straat staat
het liefste meisje van de klas. Je
hoeft alleen maar ietsjes scheef
te gaan zitten op je fiets om met
een sierlijke boog voor haar voe-
ten uit te komen. Ze lacht naar je
en in de lucht om haar hoofd zit-
ten kleine trillertjes. Je hoeft
niets te zeggen. Ze geeft je een
klein kusje, op je neus. Je doet je
ogen dicht voor nog eentje, wan-
neer het geluid van tien cirkelza-
gen dwars door je hoofd gaat.
Op een zwarte motor komt haar
grote broer aangescheurd. Hij
stopt net iets te laat, waardoor je
met fiets en al op de grond don-
dert. Je proeft bloed in je mond.
„Hee!" probeer je nog, „kun je
niet uitkijken?"
„In mijn straat kijk jij maar
uit,"
sist hij tussen zijn tanden, waar
je scherpe punten aan ziet zit-
ten.

Voorzichtig schuifel je achteruit,
je fiets sleept achter je aan. Wan-
neer je op je fiets springt om er
snel vandoor te gaan, spuugt hij
vlak voor je op de grond.
Je fietst, in elkaar gedoken,
zodat je er nauwelijks nog bent.

Maar om de hoek ga je alweer
rechtop zitten. Stomme kerel,
wat denkt hij eigenlijk wel. Daar
is je eigen straat. Volgende keer
een andere route nemen. Kinde-
ren uit je buurt spelen op de
stoep en roepen 'Hoi' naar je.
Achter het raam van je huis staat
een vrouw. Ze is rond en vrien-
delijk, bijna nog beter dan een
moeder. Je laat je fiets zichzelf
parkeren en wanneer je binnen
bent, legt zij je hoofd tegen haar
warme schouder en streelt door
je haren. Ze vraagt hoe het was,
vandaag. Maar je zegt niks, daar
is het te ingewikkeld voor.
Je bouwt een holletje van zachte
kussens op de bank en zet de
televisie aan. Ze maakt warme
chocolademelk.

Misschien voelt het ongeveer zo
om een huiskat te zijn. Een soort
dubbelleven. Buiten een een-
zame held, die gevaren trotseert,
ruzie heeft met de kater ver-
derop, verliefd is op een mooie
gestreepte kat en feilloos jaagt
op alles wat beweegt. Desnoods
een dwarrelend blaadje. Maar
binnen een klein katje, dat zich
oprolt in het zonnetje op de ven-
sterbank, graag geaaid wordt en
zeer tevreden is met wat er uit
de keuken komt.
Met een kat kan je vrienden wor-
den. Ook wat de kat betreft.
Wanneer een kat tegen je been
komt wrijven en kopjes geeft is
dat zijn manier om te laten zien
dat hij bij je wil horen. Hij geeft
wat van zijn geur aan jou, zodat
je voor hem vertrouwder wordt.
En neemt wat van jouw geur in
zijn vacht, zodat hij je de vol-
gende keer makkelijker herkent.
Na het wrijven en kopjes geven
gaat de kat zich vaak likken,
zodat hij jouw geur goed kan
proeven en onthouden.
Zo doen katten die vriendschap
met elkaar sluiten dat ook. Ze
wrijven zich tegen elkaar aan,
likken aan elkaar, doen neusje-
neusje en gaan op hun rug lig-
gen met hun kwetsbare buik
naar de ander toe. Ik vertrouw je
volkomen, betekent dat.
Bij mensen doen katten al die
dingen ook. Ze gaan op hun
achterpoten staan om je een kat-
ten-kusje te kunnen geven,
draaien zich op hun rug, wrijven
zich tegen je aan en likken met
hun prikkelende tongetje over je
handen. En mensen die vrien-
den met ze willen zijn, aaien
terug. Het is een beetje harkerig
voor een kat, maar plezierig
genoeg. Maar hoe plezierig het
ook is, het blijft altijd een
vriendschap tussen twee eenlin-
gen. Daarna ga je ieder je eigen
kant weer op.
Katten wonen al ongeveer drie-
duizend jaar bij de mensen,
maar veel veranderd zijn ze in
die tijd niet. Ze lijken nog steeds
op de wilde kat waar ze van
afstammen en ze gedragen zich
ook nog steeds zo. Het zijn echte
jagers. Vanuit een hinderlaag
kan een kat onbeweeglijk zijn
prooi beloeren. Soms komt hij
een paar pasjes dichterbij, zo
voorzichtig dat het wel een lang-
zame herhaling van een sport-
prestatie lijkt. Zijn slachtoffer
pikt rustig in de grond of knab-
belt op een stukje eten. En dan
opeens zweeft de kat door de
lucht. Hij landt op zijn prooi,
grijpt hem beet en zoekt op het-
zelfde moment met zijn snorha-
ren naar de kwetsbare plek tus-
sen de nekwervels. Zelfs in het
donker kan hij op die manier
feilloos zijn dodelijke beet
geven. Ook in het wild is een kat
zó'n goede jager, dat hij een
groot deel van zijn leven in de
zon kan liggen luieren. Wanneer
een kat na een jaar of tien dood-
gaat, is hij maar drie jaar wakker
geweest.
Dit knappe jagen van de kat is
voor de mens een reden om
vriendschap met ze te sluiten.
Katten beschermen voedselvoor-
raden tegen ratten en muizen.
En dat doen ze uitstekend. In
Egypte stond vroeger om die
reden de doodstraf op het doden
van een kat. In Engeland zijn de
prestaties van katten bij het
bestrijden van knaagdieren wei-
eens bijgehouden en het record
staat op naam van een poes die
in een stadion woonde waar ze
in zes jaar tijd 12.480 ratten ving.
Helemaal alleen, want katten
leven wel graag bij elkaar in de
buurt maar in hun werk vertrou-
wen ze alleen op zichzelf.
Van mensen hebben katten,
wanneer het op jagen aankomt,
een uitgesproken lage dunk.
Binnen ben je misschien een
soort moeder, maar buiten moet
je nog veel leren.
Katten die een prooi hebben
gevangen, brengen die graag
naar binnen en leggen die voor
je voeten. Zo doen kattemoeders
dat ook, wanneer ze aan onhan-
dige kleine katjes moeten leren
hoe het jagen in zijn werk gaat.
Eerst brengen ze een dode prooi,
die de kleintjes geen kwaad kan
doen, en daarna eentje die nog
een beetje leeft. Ze spelen er wat
mee, zodat de kleintjes snappen
wat het idee is.
Of een kat nu veel of weinig eten
van je krijgt maakt geen verschil.
Jagen is zijn leven, honger of
geen honger. Een kat die een
half-levende muis aan je voeten
deponeert, probeert je de span-
nende dingen van het bestaan
uit te leggen.
De reden dat katten en mensen,
die allebei uitstekend voor zich-
zelf kunnen zorgen, zijn gaan
samenwerken en vriendschap
hebben gesloten is eigenlijk een
toevallig gelukje. Een kat vangt
graag ratten en muizen. Maar
hoeveel hij er ook vangt, hij blijft
het zeer plezierig vinden om
verzorgd te worden. Een lekker
warm huis met goed eten en
